127 uur met je arm geklemd zitten tussen een rotsblok, in the middle of nowhere. Het moet je maar over komen.  Om hier een anderhalf uur durende film van te maken is dan ook een enorme uitdaging. Regisseur Danny Boyle had mijn hart al veroverd met zijn meesterwerk Slumdog Millionaire, dus ik verwachtte wel wat van 127 hours. Uiteraard is het niet evident om een speelfilm te maken met slechts een locatie en een personage, die dan ook nog eens letterlijk aan zijn locatie is gebonden.

De film begint met enkele flitsende beelden, die split screen gewijs aan ons worden voorgeschoteld, van allerlei massa’s. De drukte in de metro, een volgelopen voetbalstadion, overbevolkte stranden,… kortom het tegenovergestelde van Aron Ralston’s doel: er alleen op uit trekken naar een plek waar voor kilometers ver geen levende ziel te bespeuren is.

Doorheen de film komen we te weten dat Aron erg op zichzelf is gesteld. Hij heeft nauwelijks nog contact met zijn ouders, gaat niet meer met vrienden rondtrekken en zijn vriendin heeft hem verlaten. Het alleen zijn waar hij zo naar verlangde, veranderde langzaam aan in eenzaamheid. Wanneer hij komt klem te zitten onder de reusachtige rotsblok, dringt het pas tot hem door dat hij zich heeft geïsoleerd van zijn vrienden en familie. Dan pas komt hij tot het beseft dat hij hen nodig heeft en hoeveel hij wel niet om hem geeft. Zo gefocust op zijn zelfstandigheid en onafhankelijkheid, was hij te koppig om zelfs maar aan iemand te zeggen waar hij heen ging. Hoe langer hij vast zit, hoe meer hij beseft dat zijn egoisme en standvastigheid hem nu te parten speelt en misschien wel zijn dood zou betekenen.

Danny Boyle heeft net zoals in Slumdog Milionaire flashbacks gebruikt om Aron’s verhaal te concretiseren.  In deze film ligt de nadruk echter niet op de flashbacks, maar op het moment van het klem zitten zelf. De herinneringen aan het verleden worden puur gebruikt om enerzijds Aron’s persoonlijkheid vorm te geven, anderzijds als een trage weg naar de dood waarin hij zijn leven stuk voor stuk voorbij ziet glijden.

De “Aron-hakt-zijn-arm-af” scène was vrij expliciet in beeld gebracht, maar dat vond ik wel noodzakelijk aangezien dat het hele punt van de film was. Het einde was wel wat Hollywoodiaans (mensen die in slow motion op hem afkwamen, een helikopter die uit het niets leek neer te dalen, zandwolken die voor een extra dramatisch effect zorgden,…), maar toch vond ik dat er wel goed bijpassen. Het opgeluchte gevoel dat Aron op dat moment moest gevoeld hebben en het idee dat de kijkers kregen dat eindelijk alles goed zou komen, werd door die Hollywoodiaanse beelden net perfect gevisualiseerd.

Ten slotte is het niet onbelangrijk om te vermelden dat James Franco de rol erg geloofwaardig speelde. De paranoia, de pijn, het verdriet,…alles werd perfect neergezet door Franco, alsof het zijn eigen verhaal was. Hoewel iedereen hoopt nooit in zo’n situatie terecht te komen, denk ik dat deze film wel enorm veel bewondering opwekt voor de moed en het doorzettingsvermogen van Aron Ralston.